1. Gesprek en observatie
De oogarts stelt vragen over:
• De zwangerschap en geboorte
• De ontwikkeling van uw kind
• Oogproblemen in de familie
• Mogelijke klachten zoals hoofdpijn, knijpen met de ogen, het hoofd scheef houden
• Hoe u het zicht van uw kind ervaart, thuis en op school
2. Basisonderzoeken (zonder oogdruppels)
• Het testen van het zicht, op een speelse manier met plaatjes, symbolen of letters, aangepast aan de leeftijd
• Het controleren van de stand en beweging van de ogen
• Het nagaan of beide ogen goed samenwerken en of uw kind diepte kan zien
• Soms een extra onderzoek door een orthoptist, die gespecialiseerd is in scheelzien en samenwerking van de ogen
3. Meten van de oogsterkte
De oogarts meet of uw kind een bril nodig heeft.
Bij jonge kinderen worden vaak oogdruppels gebruikt die de pupil groter maken en het
scherpstellen tijdelijk stilleggen. Zo kan de oogsterkte correct gemeten worden.
Na deze druppels kan het zicht tijdelijk wazig zijn.